Bob Dylan - The Witmark Demos: 1962-1964 (2cd) - Recensie
 |
|
4.0 |
Het is nu moeilijk voorstelbaar, maar ooit was Bob Dylan een nog wat naïeve jongen. Toen Artie Mogull van de machtige Music Publishers’ Holding Company (MPHC) in 1963 de toen tweeëntwintigjarige Robert Zimmerman in zijn kantoor ontving, bleek laatstgenoemde onkundig van het feit dat je niet bij twee verschillende muziekuitgeverijen gecontracteerd kon staan. Dylan had namelijk al eerder zijn handtekening gezet onder een contract met Leeds Music. Maar o zoete ironie, die ooit zo argeloze knaap zou uiteindelijk de eerste artiest worden die zelf alle rechten van zijn muziek in bezit zou krijgen. Of zoals Bob later fijntjes zou opmerken: ‘Tin Pan Alley is gone, and I put an end to it.’ The Witmark Demos is nummertje 9 in de onvolprezen Bootleg reeks. De titel verwijst naar een in 1885 door Pruisische immigranten opgerichte muziekuitgeverij die uiteindelijk bij het voornoemde MPHC werd ingelijfd. De bewuste demo’s, welke Dylan tussen 1962 en 1964 voor Witmark (en Leeds) opnam, maken nog maar eens duidelijk dat ‘s mans productiviteit in die jaren werkelijk aan het ongelooflijke grensde. Je hoort hier de vroegste versies van songs waarvan de definitieve uitvoeringen uiteindelijk over vijf (!) albums verspreid zouden worden. In twee jaar tijd schreef Dylan meer klassiekers dan anderen in een heel leven bij elkaar kunnen pennen. Er zijn doublures ten opzichte van eerdere uitgaven in de Bootleg serie te noteren, maar belangrijker zijn vanzelfsprekend die in totaal drieënveertig nooit eerder uitgebrachte opnamen. Daar zitten vijftien songs tussen die we officieel nimmer in welke vorm dan ook gehoord hebben. Zo zijn daar het bijna aandoenlijk kwetsbare Guess I’m Doing Fine en het gruwelijke relaas over The Death Of Emmitt Till. Je kunt je voorstellen dat een liedje over de vrijetijdsbesteding van KKK-rednecks er destijds niet meteen uitgepikt werd door artiesten die op zoek waren naar hitgevoelige deuntjes. Zelfs The Lonesome Death Of Hattie Carroll bood meer troost. In de oudste opnamen schurkt Dylan nog slaafs tegen zijn invloeden aan (dag Woody), maar in het amper een paar weken later geschreven Emmett Till bespeuren we al de contouren van het eigengereide lefgozertje dat weldra van volger tot leider zou promoveren.
|
|
|