Portishead - Third - Recensie
 |
|
2.0 |
Recensievreters kennen het begrip wel: groeiplaatje. Zo’n ding waar je eerst geen bal aan vond, maar dat iedere draaibeurt toch een stukje beter wordt. Je zult zien dat juist dát de albums zijn die uiteindelijk tot je favoriete platen aller tijden gaan behoren. Persoonlijk voorbeeld is het Portishead-debuut Dummy uit 1994: een zeikplaat die langzaam uitgroeide tot een prachtige muzikale fontein. Kille beats en soundscapes die gaandeweg aanvoelden als een warm bad. Blindelings ben ik ervan uitgegaan dat hetzelfde zou gebeuren met Third. Maar het maakt niet uit hoe vaak ik ‘m draai, onder welke omstandigheden, vooruit of achteruit, het blijft een kille zeikplaat. Verklaring? Moeilijk te duiden, maar het enige wat ik kan bedenken is dat de helft een herhaling van zetten is en de andere helft pure spanning en kwaliteit ontbeert. En dan beginnen het eenvormige, ijle gehuil van zangeres Beth Gibbons en de geforceerde leegtes in de muziek – voorheen juist de meest geprezen kenmerken van Portishead – ineens erg tegen te staan.
|
|
|